woensdag 6 november 2013

Verwerkingsopdracht 2

Vertelistanties

Het fragment van Arthur Japin, een schitterend gebrek is geschreven in een ik-vertelinstantie, terwijl  Margriet de Moor in De schilder en het meisje gebruik maakte van een auctoriale vertelinstantie. In beide fragmenten worden de gevoelens beschreven en ook hoe de hoofdpersoon de situatie meemaakt.

In schitterend gebrek bekijk je alles uit het oogpunt van de hoofdpersoon. Hierdoor krijg je alle gedachten die ze heeft mee. In De schilder en het meisje wordt er ook over haar gevoelens en een deel van haar gedachten beschreven, maar in dit fragment wordt er alleen een omschrijving gegeven van haar gedachten. Je krijgt maar beperkte informatie mee en die komt ook niet rechtstreeks uit de “bron” zelf.

Er zit niet veel verschil in de twee vertelinstanties, behalve hoe je als lezer de tekst meemaakt. In bijvoorbeeld Een schitterend gebrek waar gebruik gemaakt is van een ik-vertelinstantie “ervaar” je als het ware wat de hoofdpersoon zelf meemaakt en ontdek je een onthulling pas als je er middenin zit. Bij De schilder en het meisje kan de schrijver je bepaalde informatie alvast vertellen van de omgeving van de hoofdpersoon. Deze vertelinstantie is iets algemener. Je krijgt hierbij een ruimer beeld van de gehele situatie in plaats van een beeld dat uit één plek komt. 

Je kan als het ware een auctoriale vertelinstantie vergelijken met een film waarbij er wordt vertelt wat de hoofdpersoon denkt en meemaakt. En een ik-vertelinstantie kan je vergelijken met je eigen leven, je bekijkt alles uit één standpunt maar de mening is bij deze vertelinstantie al gevormd voor jou.

Ik heb liever de auctoriale vertelinstantie, want hierbij krijg je een groter overzicht van het verhaal. De mening van het hoofdpersoon is ook beschreven, maar je hebt hier de mogelijkheid om je eigen mening te vormen. Terwijl bij een ik-vertelinstantie de mening er al staat en je geneigd wordt die over te nemen zonder er ook maar verder bij na te denken.

Verwerkingsopdracht 1

Escher


Voor deze opdracht heb ik een fragment uit de Zonnewijzer van Maarten ´t Hart gelezen.
In het fragment kijkt de hoofdpersoon, Lionel, uit het raam naar een industrieterrein. De buizen gaan door elkaar heen, onder elkaar door en zien eruit als een ingewikkelde puzzel.
“Ik ging bij hem staan en staarde naar de onstuimige lucht, staarde naar het ingewikkelde stelsel van aluminium buizen aan de overkant van de straat op een industrieterrein. Het leek of dat buizenstelsel door Escher was ontworpen. Ze slingerden zich om elkaar heen, verloren zich in elkaar, doken achter kranen onverwacht weer op” 
Ik moest een werk van Escher uitkiezen dat ik het beste bij dit fragment vond passen. In dit werk, genaamd “De waterval”  is een gebouw afgebeeld dat op het eerste gezicht heel normaal in elkaar zit. Maar ga je verder kijken dan zit er geen logica meer in. De waterval gaat van beneden naar boven en de hoogtes zijn op gelijke hoogtes maar tegelijk ook verschillende hoogtes. Hoe langer je er naar kijkt, hoe gekker je ervan wordt. In het fragment staat: ” Ze slingerden zich om elkaar heen, verloren zich in elkaar, doken achter kranen onverwacht weer op”.  Het past heel goed bij dit werk van Escher, want hier is het gebouw net als het industrieterrein één geheel. Maar delen van dat gebouw lijken niet te kloppen, ze gaan in elkaar "over" net zoals in het fragment. Het fragment en dit werk van Escher bevat beide een gebouw (of buizen in dit geval) dat een "wegenet" van stukken (gebouw/buizen) bevat dat zowel logisch als onlogisch is. Het lijkt logisch, maar kijk je verder dan is het net een puzzel waar je niet uit kunt komen.